In het kader van de bezuinigingen zijn ambtelijke werkgroepen aan de slag gegaan met het in kaart brengen van bezuinigingsmogelijkheden.
Voor het primair en voortgezet onderwijs zijn een aantal mogelijkheden op een rij gezet. U leest ze hieronder. Het complete voorstel voor Onderwijs leest u hier.
Primair onderwijs
Basiscurriculum
De maatregel bestaat uit de volgende onderdelen:
1. het definiëren van een basiscurriculum in het basisonderwijs. Dit basiscurriculum bestaat uit de onderdelen Taal, Rekenen/Wiskunde, Studievaardigheden en Wereldoriëntatie. De huidige eindtoets Basisonderwijs van het Cito is op deze onderdelen dekkend;
2. het ontwikkelen van referentieniveaus voor alle onderdelen in het basiscurriculum. Nu zijn er alleen referentieniveaus voor taal en rekenen;
3. het schrappen van de kerndoelen die niet samenhangen met het basiscurriculum. Momenteel wordt het curriculum van het basisonderwijs beschreven in 58 globale kerndoelen. Scholen kunnen zelf beslissen hoe de vrije ruimte in de onderwijstijd, naast de tijd die wordt besteed aan het basiscurriculum, wordt ingericht;
4. scholen die een substantieel deel van de onderwijstijd richten op het basiscurriculum realiseren meer leerwinst op dit basiscurriculum. Door de aanvullende maatregelen gericht op het in kaart brengen van en verantwoorden over leerwinst (zie 2 en 3) worden scholen gestimuleerd om zich ook sterker op het basiscurriculum te richten.
Leerwinst in kaart brengen en eindtoets later afnemen
De maatregel bestaat uit de volgende onderdelen:
1. scholen wettelijk verplichten tot het afnemen van een begintoets voor groep drie en een eindtoets aan het einde van groep 8. Het afnemen van een eindtoets is nu niet verplicht (85% van de leerlingen maakt de Eindtoets Basisonderwijs van Cito, 14% maakt een concurrerende toets en 1% neemt geen toets af). Een begintoets is nu nog niet verplicht. Door een begin- en eindtoets en door het rekening houden met achtergrondkenmerken van leerlingen kan de leerwinst in kaart worden gebracht;
2. scholen wettelijk verplichten deze eindtoets af te nemen in de week van de laatste examendag van het voortgezet onderwijs. Op dit moment wordt de Citotoets in februari afgenomen;
3. scholen wettelijk verplichten tot het in kaart brengen van de leerwinst op school- en leerlingniveau en hierover te rapporteren aan ouders van leerlingen en aan de Onderwijsinspectie (met name leerwinst op schoolniveau is voor de Inspectie van belang, zodat het mee kan worden genomen in het toezicht); In samenhang hiermee de volgende maatregelen:
4. naar analogie van het voornemen in het traject “Vensters voor verantwoording” in het voortgezet onderwijs, via internet de kwaliteit van scholen beter vergelijkbaar maken;
5. ouders van jonge kinderen begrijpelijke informatie toesturen over de kwaliteit van basisscholen in de omgeving.
Vergroten transparantie
Het samenstel van maatregelen is gericht op het vergroten van de transparantie over de kwaliteit van scholen, zodat ouders deze kwaliteit beter mee kunnen nemen bij hun schoolkeuze. Het gaat dan om:
1. de Onderwijsinspectie categoriseert jaarlijks alle scholen in vijf categorieën (zeer zwak, zwak, voldoende, goed en excellent) uitsluitend aan de hand van 1) de op basis van centrale toetsen vastgestelde leerwinst, gecorrigeerd voor kenmerken van de leerling-populatie; 2) de score van de leerlingen ten opzichte van het minimumniveau; 3) het percentage zittenblijvers;
2. om de leerwinst te meten wordt, in aanvulling op de maatregel tot het wettelijk verplicht afnemen van een eindtoets (is nu dus nog niet wettelijk verplicht), het wettelijk verplicht om een begintoets aan het begin van groep 3 af te nemen. Hiermee wordt (voor de maatregel van een begintoets) aangesloten bij adviezen van de Onderwijsraad en de commissie Dijsselbloem;
3. door een begin- en eindtoets kan de leerwinst gemeten worden over de gehele schoolloopbaan. Het verplicht gebruiken van gecertificeerde leerlingvolgsystemen maakt het mogelijk om op meerdere momenten in de onderwijsloopbaan leerwinst in kaart te brengen. Leerlingvolgsystemen stellen scholen daarmee in staat om leerwinst te verantwoorden aan ouders. Indien het wenselijk wordt geacht om op meerdere momenten leerwinst te kunnen verantwoorden aan de Inspectie van het Onderwijs voor het bepalen van het Inspectieoordeel zijn wettelijke tussentoetsen nodig;
4. naar analogie van het voornemen in het traject “Vensters voor verantwoording” in het voortgezet onderwijs, via internet de kwaliteit van scholen beter vergelijkbaar maken;
5. ouders van jonge kinderen begrijpelijke informatie toesturen over de kwaliteit van basisscholen in de omgeving.
Minder personeel bekostigen
1. Het voorstel is om in het basisonderwijs minder leraren per leerling te bekostigen, zodat in 2015 in de onderbouw 1 leraar per 28 leerlingen wordt bekostigd (nu 1 op 20,02). De ratio voor de bekostiging van de bovenbouw blijft constant op 27,80. Een omvang van deze besparing betreft ongeveer 16% van het totaal aantal door OCW vanuit groepsgebonden personele bekostiging bekostigde arbeidsplaatsen.
2. Hoewel schoolbesturen zelf kunnen bepalen op welke wijze deze besparing opgevangen kan worden, kan op basis van de intensivering van klassenverkleining (tussen 1997 en 2003) worden aangenomen dat 75% van de bezuiniging zal worden gerealiseerd door de klassen te vergroten en 25% door ander personeel (remedial teachers, intern begeleiders, taal/reken coördinatoren, vakleraren gymnastiek e.d.) te verminderen.
Zittenblijven en versnellen
De maatregel beoogt zittenblijven te beperken en sneller doorstromen te stimuleren:
1. voor leerlingen die 1 jaar of meer vertraging oplopen in het primair onderwijs krijgen schoolbesturen de helft bekostigd. De helft van de besparing wordt toegevoegd aan de lumpsum van de scholen zodat de scholen op een andere, meer kostenefficiënte, wijze de ontwikkelingsachterstand van de leerling kunnen inlopen. Het gaat om de leerlingen die op 1 oktober van het jaar 12 jaar of ouder zijn. Het jaarklassensysteem kan hierbij in stand worden gehouden;
2. voor leerlingen die sneller doorstromen krijgen schoolbesturen voor het gewonnen jaar nog de helft van de bekostiging voor deze leerling. Dit onder de randvoorwaarden van toestemming van de ouders, een vast uitstroommoment in juni en het halen van een vwo-advies op de Eindtoets basisonderwijs. Ongeveer 1% van de leerlingen slaat momenteel een klas over;
3. het introduceren van een minimumeindniveau voor de leerprestaties aan het eind van groep 8 voor doorstroom naar het reguliere voortgezet onderwijs. De verantwoordelijkheid voor afstroom naar het zorgonderwijs vindt plaats in de netwerken die bekostigd zijn op basis van budgetfinanciering (zie maatregel 1 in bijlage 8). Oneigenlijk afwentelen op het zorgonderwijs wordt daarmee voorkomen;
4. de Inspectie van het Onderwijs neemt in beoordeling hoe scholen scoren op het realiseren van het minimumeindniveau voor hun leerlingen. Scholen waar een substantieel deel van de leerlingen het minimumeindniveau niet haalt kunnen geen voldoende scoren. Dit oordeel geldt ook voor scholen met achterstandsleerlingen (zie maatregel 3 van zorg- en achterstandsleerlingen). De maatregel sluit ook aan bij het beter in kaart brengen van de leerwinst, zoals voorgesteld in maatregel 3 PO.
Samenvoegen kleine scholen
1. De maatregel betreft een verdere aanscherping van de regels voor opheffing van scholen, zodat veel kleine scholen samengevoegd zullen moeten worden. Er wordt vanuit gegaan dat na de aanscherping alleen scholen van 145 leerlingen of meer bestaansrecht hebben. Alle uitzonderingsbepalingen zijn niet langer van toepassing op scholen met minder dan 145 leerlingen. Aandachtspunt hierbij is de mogelijkheid voor de totstandkoming van samenwerkingsscholen van verschillende denominaties. Deze aanscherping volgt op een eerder proces van schaalvergroting in het primair onderwijs in de jaren negentig.
2. In het bekostigingsmodel betekent dit het schrappen van de kleine scholentoeslag en de bekostigingsvoorziening voor nevenvestigingen (drievierde toeslag). Het deel van de vaste voeten voor personeel en arbeidsmarkt en materiële instandhouding dat betrekking heeft op kleine scholen (minder dan 145 leerlingen) vervalt.
Voortgezet onderwijs
Samenstel van maatregelen gericht op het maximaliseren van de leerwinst op het basiscurriculum 1. De maatregel betreft het definiëren van een basiscurriculum met een omvang van minimaal 850 in plaats van 1000 uur per leerjaar. In plaats van vier profielen in de bovenbouw havo en vwo komen er bovendien twee profielen: een alfaprofiel en een bètaprofiel. Voor het vmbo is geen sprake van het terugbrengen van het aantal leerwegen. Ook in het praktijkonderwijs wordt de verplichte minimale onderwijstijd verlaagd van 1000 naar 850 uur per jaar.
2. De omvang van de daarmee gerealiseerde besparing hangt samen met de reductie van de door de overheid bekostigde onderwijstijd. Dit met uitzondering van het praktijkonderwijs (dit in verband met de besparing door de maatregel die samengaat met een besparing op het budget van het onderwijs voor zorgleerlingen, zie hiervoor maatregel 1 in bijlage 8 bij achterstand- en zorgleerlingen).
3. Met de maatregel basiscurriculum VO wordt reductie van de complexiteit van de onderwijsorganisatie bevorderd. Daarbij is gestreefd naar een goede balans tussen (voorbereiding op) kwalificatie en doorstroom naar het vervolgonderwijs enerzijds, en (voorbereiding op) het functioneren in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling anderzijds.
4. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs bestaat het (basis)curriculum uit een kwalificatie- of doorstroomdeel, een socialisatie- of burgerschapsdeel en een vrij deel. Daarbij kent de bovenbouw havo / vwo twee profielen (een maatschappelijk M-profiel, en een N-profiel gericht op natuur en techniek) en de bovenbouw vmbo (de huidige) vier sectoren.
5. In het basiscurriculum blijven alle doorstroomessentiële onderwijsinhouden gehandhaafd: de omvang en het niveau van de examenprogramma’s voor deze vakken veranderen niet. Aandacht hierbij verdient nog wel de praktijkcomponent in het vmbo.
6. Het kwalificatiedeel van het curriculum is het op doorstroomessentiële onderwijshouden gerichte kerndeel en bestaat uit:
- fundamentele vakken: de voor al het vervolgonderwijs essentiële vakken Nederlands, Engels en wiskunde / rekenen;
- verplichte sector- / profielvakken: de specifiek voor de doorstroom naar het op de respectievelijke sector of profiel aansluitende vervolgonderwijs essentiële sector- of profielvakken.
7. Het socialisatiedeel van het curriculum is gericht op socialisatie, het functioneren in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling. Het gaat daarbij om vakken en programmaonderdelen zoals burgerschap, lichamelijke oefening en maatschappelijke stages, en om geschiedenis en maatschappijleer voor zover dit voor een leerling geen verplichte profielvakken zijn.
8. De omvang van het basiscurriculum is tenminste 850 uur per jaar. Scholen moeten het programma zo inrichten, dat tenminste 80% van de beschikbare onderwijstijd aan het kwalificatiedeel wordt besteed.
9. Omdat de onderbouw van het voortgezet onderwijs geen (wettelijk) onderscheid kent tussen profielen en sectoren (en evenmin tussen vmbo, havo en vwo), kan hier in de wet- en regelgeving worden volstaan met één ongedifferentieerd basiscurriculum dat eveneens 850 klokuur per leerjaar omvat (in plaats van 1000 nu). Het programma van de onderbouw bereidt voor op de bovenbouw: aangezien het bovenbouwprogramma 'smaller' wordt, hoeft in de onderbouw minder tijd besteed te worden aan diverse kerndoelen.
10. Met minder profielen en sectoren is het onderwijsprogramma eenvoudiger te organiseren. De verwachting is dat hiermee op schoolniveau kostenbesparingen te realiseren zijn: bij minder vakken is het bijvoorbeeld makkelijker om kleine klassen in de bovenbouw te voorkomen. De hiermee eventueel te realiseren kostenbesparing is echter niet goed te kwantificeren. Daarom wordt er geen extra financiële besparing voor het rijk vastgesteld. De organiseerbaarheid voor scholen en studeerbaarheid voor leerlingen is er mogelijk echter wel bij gebaat. Bij de maatregel minder leraren is de grotere mate van organiseerbaarheid wel opgenomen als onderbouwing van de besparing.
Overige onderdelen van de maatregel basiscurriculum
11. In lijn met de referentieniveaus voor taal- en rekenen betreft de maatregel het ontwikkelen van referentieniveaus voor in ieder geval de voor vervolgonderwijs essentiële vakken en de specifiek voor de doorstroom naar het op respectievelijk profiel of sector aansluitende vervolgonderwijs essentiële profiel- of sectorvakken. Deze referentieniveaus worden daarbij ontwikkeld voor het einde van de onderbouw. Referentieniveaus beschrijven nauwkeurig wat leerlingen aan het einde van de onderbouw moeten kennen en kunnen. De referentieniveaus zijn een hulpmiddel voor scholen om meer opbrengstgericht te kunnen werken aan het basiscurriculum.
12. Als partijen (waaronder ook ouders) meer aandacht wensen voor bepaalde maatschappelijke opdrachten of een concretere invulling van de kerndoelen geldt het adagium ‘boter bij de vis’. Dit betekent dat een school zelf kan bepalen of een bepaalde maatschappelijke opdracht deel kan uitmaken van het differentiële deel, of dat partijen de gevraagde extra onderwijsuren moeten bekostigen.
13. De reductie in onderwijstijd kan een instelling vertalen in minder onderwijsuren per jaar of minder jaren onderwijs. De reductie in lestijd is voldoende om het VWO in 5 jaar te kunnen programmeren.
Verbeteren transparantie Het samenstel van maatregelen is gericht op het beter in kaart brengen van de leerwinst, zodat scholen meer opbrengstgericht gaan werken en ouders beter in staat worden gesteld een school te kiezen die het beste bij hun voorkeur past. Het gaat dan om:
1. de Inspectie van het Onderwijs brengt de leerwinst op school- en leerling-niveau in kaart door met behulp van het onderwijsnummer het beginniveau van leerlingen zoals gemeten door de score op de Eindtoets basisonderwijs te koppelen aan de resultaten op het eindexamen;
2. door een begin- en eindtoets kan de leerwinst gemeten worden over de gehele schoolloopbaan. Scholen brengen leerwinst gedurende de onderwijsloopbaan in kaart aan de hand van de Eindtoets basisonderwijs en gecertificeerde leerlingvolgsystemen. Scholen kunnen dit gebruiken voor verantwoording aan ouders en leerlingen. Indien tussentijdse verantwoording aan de Inspectie van het Onderwijs wenselijk wordt geacht, dan zijn wettelijke tussentoetsen (bijvoorbeeld aan het einde van de onderbouw) noodzakelijk;
3. leerlingen meer de tijd geven voor het herexamen door het naar achteren in de tijd verplaatsen;
4. de Onderwijsinspectie categoriseert alle scholen in vijf categorieën (zeer zwak, zwak, voldoende, goed en excellent) aan de hand van onder meer de op basis van de wettelijke toetsen vastgestelde leerwinst;
5. via internet wordt meer toegankelijke en vergelijkbare informatie over de kwaliteit van scholen beschikbaar gemaakt voor ouders en leerlingen. Dit is overigens een voornemen in het traject “Vensters voor verantwoording”.
Minder personeel bekostigen 1. Door het definiëren van een basiscurriculum en het verbeteren van de transparantie over de prestaties op dit basiscurriculum, kan het onderwijs eenvoudiger georganiseerd worden, onder andere doordat er minder keuzevakken met weinig leerlingen per klas komen. Hierdoor wordt het mogelijk om minder personeel te bekostigen.
2. De maatregel betreft het verhogen van bekostigingsratio’s (deelnemers per docent) met 2 leerlingen per docent. De bekostigingsratio’s bedragen momenteel 20,00 voor HAVO/VWO, 17,14 voor het VMBO en 8 voor praktijkonderwijs/LWOO.
3. Scholen kunnen zelf bepalen hoe de besparingen als gevolg van een lagere docent/leerling-ratio (lager lumpsum-budget) worden vertaald naar maatregelen op schoolniveau. Naast of in combinatie met klassenvergroting kunnen scholen bijvoorbeeld kiezen voor het verminderen van het aantal uren dat docenten besteden aan specifieke taken (mentor, decaan, remedial teacher, sectieleider en ict- of leerjaarcoördinator) of een reductie van het onderwijsondersteunend personeel.
4. NB: De omvang van de besparing als gevolg van de maatregel basiscurriculum en het zelfstandig verhogen van bekostigingsratio’s valt niet goed van elkaar te scheiden, daarom wordt de besparing alleen hier ingeboekt.
Zittenblijven en sneller doorstromen De maatregel beoogt zittenblijven te beperken en sneller doorstromen te stimuleren:
1. voor leerlingen die langer over een opleiding dan de nominale studieduur doen, krijgen de scholen de helft van elk extra jaar bekostigd. Het jaarklassensysteem kan hierbij in stand worden gehouden. In het voortgezet onderwijs loopt momenteel elk jaar ongeveer 5 procent van de leerlingen vertraging op;
2. voor leerlingen die sneller doorstromen krijgen schoolbesturen voor het gewonnen jaar nog de helft van de bekostiging voor deze leerling. Dit onder de randvoorwaarde van een jaarklassensysteem. In het voortgezet onderwijs is sneller doorstromen zeer ongebruikelijk: het gaat jaarlijks om enkele tientallen leerlingen op een totaal van 940.000.
Besparen op vaste voeten en vereenvoudigen van het bekostigingssysteem 1. De maatregel betekent een (gedeeltelijke) besparing op vaste voeten in combinatie met een vereenvoudiging van het bekostigingsmodel door het versleutelen van de huidige vaste voeten in een nieuw model dat uitgaat van een vast bedrag per leerling: in plaats van schoolkenmerken dienen leerlingenkenmerken (schoolsoort, leerjaar, en zorg) voorop te staan.
2. De maatregel betekent dat de vaste voet voor materiële bekostiging, die voor alle scholen identiek is, komt te vervallen (22 mln). In aanvulling daarop worden de vaste voeten voor personele bekostiging versleuteld in een vast bedrag per leerling waarbij tegelijkertijd sprake zal zijn van een besparing van 48 mln (de omvang van de vaste voeten voor personele bekostiging (exclusief uitzonderingsscholen, waaronder op Waddeneilanden) bedraagt 225 mln). Voorts is sprake van een additionele besparing van 20 mln op de vaste voeten.
3. Een vereenvoudiging van het bekostigingsmodel maakt een verdere versoepeling of zelfs afschaffing van de voorzieningenplanning in het voortgezet onderwijs mogelijk. Hierdoor mogen scholen zelf beslissen welke onderwijsniveaus zij aanbieden.
Eigen bijdragen: lesmateriaal en lesgeld
De maatregel bestaat uit de volgende twee onderdelen:
1. de eerste maatregel betreft het vragen van een (inkomensafhankelijke) bijdrage van de ouders van VO-leerlingen voor het lesmateriaal, terwijl de scholen wel verantwoordelijk te laten blijven voor de centrale inkoop. Daarnaast zou de WTOS opnieuw worden ingevoerd. In 2008 is wettelijk vastgelegd dat alle leerlingen in het voortgezet onderwijs het lesmateriaal om niet ontvangen. Met deze maatregel wordt hierop dus teruggekomen;
2. de tweede maatregel betreft het introduceren van lesgeld voor 16+ in het vo en 16/17-jarigen in het mbo (bol). In 2005 is het lesgeld voor 16/17-jarigen in vo en mbo afgeschaft. Met deze maatregel wordt hierop dus teruggekomen.